27/05/2026
De afgelopen dagen zag ik verschillende artikels en discussies passeren over airco’s, hittegolven en oververhitte gebouwen.
Van scholen die leerlingen vroeger naar huis sturen omdat het binnen simpelweg te warm wordt, tot discussies over gevels die binnenkort misschien overal vol buitenunits hangen.
Volgens mij toont dat aan dat we op een totaal andere manier over gebouwen zouden moeten nadenken. Want de discussie zou vandaag eigenlijk niet meer mogen gaan over “airco: ja of nee?”, maar over hoe we gebouwen ontwerpen die ook tijdens hittegolven gezond, comfortabel en bruikbaar blijven?
Als architect gespecialiseerd in gezonde gebouwen merk ik dat veel mensen thermisch comfort nog altijd herleiden tot “hoeveel graden het binnen is”.
Maar zo eenvoudig werkt het jammer genoeg niet.
Iedereen kent het verschil tussen:
een woning waar het binnen 24 graden is maar toch benauwd, droog of onaangenaam aanvoelt;
en
een woning waar het misschien even warm is, maar waar het toch rustig, fris en comfortabel blijft aanvoelen.
Dat verschil zit vaak niet in één toestel.
Maar in het gebouw zelf.
In:
zonwering,
oriëntatie,
ventilatie,
thermische massa,
materialen,
luchtstromen,
akoestiek,
nachtkoeling,
groen rondom het gebouw,
en hoe techniek geïntegreerd wordt.
Ik begrijp perfect waarom actieve koeling belangrijker wordt.
Zeker in:
scholen,
zorggebouwen,
assistentiewoningen,
slaapkamers onder platte daken,
compacte appartementen in stedelijke context.
Een klaslokaal van 32 graden is geen gezonde leeromgeving.
Een slaapkamer waarin je dagenlang niet onder 28 graden geraakt, evenmin.
Maar tegelijk mogen we niet evolueren naar gebouwen die vanaf dag één afhankelijk zijn van permanente actieve koeling omdat architectuur het probleem niet meer opvangt.
Dat is volgens mij een cruciaal onderscheid.
Een goed gebouw probeert eerst warmte buiten te houden.
Pas daarna komt techniek.
En eigenlijk begint die uitdaging nog veel vroeger dan bij de architect zelf.
Vandaag worden in RUP’s, BPA’s, verkavelingsvoorschriften en stedenbouwkundige verordeningen nog te weinig linken gelegd tussen:
oriëntatie,
bezonning,
schaduw,
groen,
ventilatie,
en hittebestendigheid.
Terwijl een luifel, oversteek of slim ontworpen buitenruimte letterlijk het verschil kan maken tussen een gebouw dat leefbaar blijft bij 35 graden en een gebouw dat volledig afhankelijk wordt van airco.
Ook materiaalgebruik zal steeds belangrijker worden.
Ik geloof persoonlijk sterk in de mogelijkheden van bio-ecologische materialen zoals kalkhennep, die door hun warmtebuffering en thermische eigenschappen gebouwen stabieler en aangenamer kunnen laten aanvoelen tijdens warme periodes.
En uiteindelijk gaat dit debat niet alleen over architectuur.
Het gaat ook over:
leerprestaties,
gezondheid,
slaapkwaliteit,
productiviteit,
absenteïsme,
revalidatie,
en levenskwaliteit.
Gezonde gebouwen gaan daarom voor mij niet alleen over EPC-scores of energieprestaties.
Ze gaan over gebouwen waarin mensen:
goed slapen,
zich kunnen concentreren,
rust ervaren,
geen stress voelen van lawaai of tocht,
en zich fysiek én mentaal comfortabel voelen.
Misschien wordt dat wel één van de grote architecturale uitdagingen van de komende jaren:
niet gewoon energiezuinige gebouwen ontwerpen, maar klimaatrobuuste gebouwen die ook tijdens extreme hitte gezond en leefbaar blijven.